In de aanleerfase zijn een aantal punten belangrijk:

  • De motivatie, drive in de hond om dit geweldig leuk te gaan vinden.
  • Een stapsgewijze opbouw, geleidelijke stijging van de moeilijkheidsgraad.
  • Het apart oefenen van lastige variaties.
  • Het lopen van dubbelblinde trails dit zijn controle oefeningen zonder enkele steun.
  • Realiteit, het binnen de grenzen blijven van wat haalbaar is.
  • Vaardigheid in de lijnvoering.
 Om de motivatie voor mantrailen te ontwikkelen en te onderhouden wordt gebruik gemaakt van de aangeboren talenten van de hond om aan zijn voedsel te komen, namelijk het jagen. De instinctmatige gedragingen die hierbij voorkomen vertonen een samenhang. Ze komen in een bepaalde volgorde voor. Dit heet de gedragsketen van het jagen. Deze keten bestaat uit stukjes gedrag met één doel.
  • Zoeken naar sporen (zoekdrift)
  • Het vervolgen van sporen (speuren, zoekdrift)
  • Achtervolgen van een prooi (najagen)
  • Bespringen van de prooi, muizesprong (buitdrift)
  • Zich vastbijten (buitdrift)
  • Schudden (buitdrift)
Tijdens het mantrailen wordt de hond geprikkeld om een aantal van deze driften te uitten. De motivatie van de hond bij de jacht wordt bij mantrailen omgezet naar motivatie om mensen te willen volgen. Dit maakt en houdt de hond op een natuurlijke manier gemotiveerd. Wij gebruiken hiervoor aanmoedigingstrails de zogenaamde fire-trails. Hierbij wordt de hond aangemoedigd een mens te achtervolgen. De situaties worden zo gepresenteerd dat de hond gestimuleerd wordt zijn neus te gebruiken. Elke hond is anders en elke geleider is anders. Dit vraagt een individuele en persoonlijke coaching.
Eigenlijk moet het voor de geleider ook een gewoonte worden om dit gedrag te herkennen onder eenvoudige omstandigheden. Dit gebeurt door in eerste instantie op zachte natuurbodem te trailen, waar de menselijke geurvlagen goed aan blijven kleven. Daarna worden langzaam één voor één variaties ingebouwd. Enkele voorbeelden van variaties zijn; een bodemverandering van bosgrond naar zandgrond of van bosgrond naar straattegels. Een andere variatie is; een trail tussen de sporen van andere mensen door. Het is de kunst om de lichaamstaal van de hond te lezen bij een dergelijke variatie. Door geleidelijk variaties toe te voegen ontstaat een stapsgewijze opbouw. Zo leert de geleider steeds het trailgedrag herkennen. Het komt regelmatig voor dat een hond de geur helemaal verloren heeft. De geleider krijgt handreikingen om dit probleem op te lossen.

Als de geleider het trailgedrag van zijn hond op een basistrail goed herkent en ook kan zien wanneer de hond geen geur meer heeft, worden variaties ingebouwd. De praktijk leert dat onderstaande variaties nog wel eens lastig kunnen zijn.  Dit kan apart geoefend worden.

  • Ondergrond wisselingen; van zandgrond,  gras, bos, naar het trailen op harde ondergronden, straattegels, keien, kiezel, asfalt, stoepen en goten.
  • Oversteken van wegen en paden.
  • Veel wind uit diverse richtingen, verwaaiing van de trail.
  • Trails tussen de trails van andere mensen door, spoordifferentiatie.
  • Verleidingssporen van andere dieren dus ook van andere honden!
  • Afleidingen onderweg zoals verkeer, schreeuwende kinderen, wandelaars met andere honden enz.
  • Trailen langs obstakels zoals gebouwen.
  • Een andere variatie is; de tijd dat een trail ligt voordat hij wordt uitgelopen.
Bij dubbelblind is het wel een vereiste dat je je hond kunt lezen. Zo heb je de minste kans dat je de hond toch per ongeluk aan het sturen bent. Dat sturen ontstaat snel als je als geleider in je hoofd hebt dat je een bepaalde richting op wil.Honden kunnen de kleinste veranderingen in menselijke lichaamstaal waarnemen. Eigenlijk lezen zij ons beter dan wij hen. Zij nemen onze sturing direct waar (dit heet inwerking). Vandaar dat het zeer regelmatig lopen van dubbelblinde trails belangrijk is.

Dit is wel sterk afhankelijk van de omstandigheden zoals omgeving, weersgesteldheid, of de route verontreinigd is met vele andere sporen en of er veel afleidingen zijn tijdens het uitwerken.

Om de hond zelfstandig te laten werken gebruiken we een lange lijn van 10 meter en geven we waar nodig de hond zoveel mogelijk ruimte bij het zoekwerk. Tijdens het trailen moet voorkomen worden dat de hond een ruk van de lijn krijgt. Dit werkt als een correctie en heet een line-check. Vaardigheid om de lijn op het juiste moment te kunnen uitgeven is noodzakelijk. Het in – en uitgeven van de lijn vraagt veel oefening en wordt apart geïnstrueerd.